De nieuwe Europese huwelijksvermogensrechtverordening

Printvriendelijke versie

Op 29 januari 2019 is de Europese Huwelijksvermogensrechtverordening van kracht geworden. Hierdoor is het duidelijker geworden welk recht geldt voor echtparen. Vooral bij echtscheidingen was er regelmatig onduidelijkheid als stellen van bijvoorbeeld verschillende nationaliteit daar niks over hadden vastgelegd.

Door de nieuwe regeling is – wanneer de echtgenoten geen rechtskeuze hebben gemaakt – op grond van de verordening het recht van toepassing van het land:
1. waar de echtgenoten na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hebben, ook wel eerste huwelijksdomicilie genaamd, of bij gebreke daarvan;
2. waarvan beide echtgenoten op het tijdstip van de huwelijkssluiting de nationaliteit bezitten, of bij gebreke daarvan;
3. waarmee beide echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting de nauwste band hebben.

Het was nog onduidelijk tot welk moment na de huwelijkssluiting de echtgenoten nog een eerste huwelijksdomicilie kunnen vestigen. In verband met deze onduidelijkheid heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Familie- en Jeugdrecht (LOVF) van de rechtbanken en gerechtshoven in juni 2019 een aanbeveling vastgesteld om als uitgangspunt een termijn van ten hoogste zes maanden na de huwelijkssluiting aan te houden, slechts in uitzonderlijke gevallen kan van de aanbevolen termijn van zes maanden worden afgeweken.

De nieuwe verordening wijst overigens alleen het toepasselijke recht aan van een land voor huwelijken die na 29 januari 2019 zijn gesloten.

Bron: Landelijk Overleg Vakinhoud Familie- en Jeugdrecht.